De rol van de kerk bij de ontwikkeling van het onderwijs

Portret van Henk van der Linden, historicus over religieuze tradities in Nederland
Henk van der Linden
Historicus en cultuurjournalist
Religieuze Kunst, Muziek en Musea · 2026-02-15 · 7 min leestijd

Je kent het wel: die sfeer van een oud kerkgebouw. De geur van oud hout en was, het licht door de hoge ramen.

Maar wist je dat diezelfde kerk vroeger het hart was van het onderwijs? Het is bijna niet voor te stellen nu, maar zonder de kerk had ons schoolsysteem er heel anders uitgezien.

Het begon allemaal met de simpele behoefte om kinderen te leren lezen, zodat ze de Bijbel konden begrijpen. Dat ene doel zorgde voor een enorme ontwikkeling die tot op de dag van vandaag voelbaar is.

Waarom we het hier over hebben

De rol van de kerk in het onderwijs is niet zomaar een stukje geschiedenis. Het is de basis van hoe we nu denken over leren voor iedereen.

Vroeger was onderwijs iets voor de rijken. De kerk veranderde dat.

Zij wilden dat elk kind, arm of rijk, de psalmen kon lezen. Dat idee – dat onderwijs een recht is – is een typisch Nederlands idee dat we mede aan de kerk te danken hebben. Het zorgde voor een basis van geletterdheid die onmisbaar was voor de ontwikkeling van ons land.

Je ziet de sporen nog overal. Denk aan de schoolgebouwen uit de 19e eeuw die nog steeds pronken in dorpen. Of aan de manier waarop we nog steeds praten over 'normen en waarden'. Het ging de kerk niet alleen om kennis, maar ook om vorming.

Een goed mens worden, niet alleen een slimme. Dat idee is diep verankerd in onze cultuur.

Het is de reden waarom dit onderwerp zo relevant is. Het gaat over wie we zijn.

Hoe het allemaal begon: de 'armenschool'

In de Middeleeuwen was kennis schaars. De kerk had een monopolie op schrijven en lezen.

De meeste mensen waren analfabeet. Maar de kerk had een probleem: ze wilde dat iedereen de Bijbel kon lezen. Vooral na de Reformatie in de 16e eeuw werd dit een kerndoel. De 'Schat der Sielen' (een soort bijbel voor gewone mensen) moest door iedereen gelezen kunnen worden.

Daarom ontstonden de eerste 'armenscholen'. Dit waren geen scholen zoals we die nu kennen.

Vaak was het een donkere, koude kamer in de kerk of bij de pastorie.

Een meester of meesteres leerde een stuk of 30 kinderen tegelijk de letters en het catechismus. Deze scholen waren vaak schamel. Kinderen zaten op harde houten banken.

De les duurde zo lang als de meester tijd had. Soms kregen de kinderen pas na een uur les, omdat ze eerst moesten helpen in het huishouden van de meester.

Maar het was een begin. De kerk zorgde voor de locatie en betaalde (soms) de meester. De gemeenschap zorgde voor de rest.

Dit was de basis: onderwijs als een dienst aan de gemeenschap, niet als een verdienmodel.

Het ging om de zielen, niet om de centen.

Het schoolmeester-dominé model

Een van de meest iconische figuren in de Nederlandse onderwijsgeschiedenis is de schoolmeester-dominé, die vaak putte uit de rijke Bijbelse traditie in onze literatuur. Denk aan figuren als ds.

J.J. van Oosterzee of de vele anonieme predikanten die hun handen uit de mouwen staken.

Dit was een model waarbij de dominee de eindverantwoordelijke was voor het onderwijs in zijn dorp. Hij controleerde de kwaliteit, leerde de meester soms bij en hield toezicht. De schoolmeester was vaak een jonge man die net van de kweekschool kwam of een ambachtsgezel was die bijverdiende.

De werking was simpel maar effectief. De schoolmeester had een dubbele taak: hij leerde de kinderen rekenen, schrijven en lezen, maar hij moest ook de godsdienstige vorming verzorgen. Zijn salaris was laag. Hij kreeg soms een vrije woning, een stukje land om groenten te verbouwen en een vergoeding van de gemeente of de kerk.

De kerk trad in die tijd vaak op als belangrijke opdrachtgever voor architecten. Dit zorgde voor een sterke binding tussen kerk en school.

De school was een verlengstuk van de kerk. Dit systeem heeft tot diep in de 19e eeuw gewerkt.

"Een kind dat niet lezen kan, is als een blind paard in de stal." - Een oud gezegde uit de tijd van de vroege scholen.

De tweedeling: openbaar en bijzonder

Vanaf de 19e eeuw kwam de overheid in actie. De Wet op het Lager Onderwijs (1857) zorgde voor een staatsysteem.

De overheid vond dat iedereen naar school moest. Dit leidde tot een scheiding.

Aan de ene kant had je de 'openbare scholen', betaald door de staat. Aan de andere kant ontstonden de 'bijzondere scholen', waaronder de katholieke en protestantse scholen. Dit was een heftige strijd: de 'schoolstrijd'.

De kerk wilde haar eigen identiteit behouden en vond dat het onderwijs niet neutraal moest zijn. Het resultaat was een uniek Nederlands model: de 'ouderdomsregeling'.

Pas in 1917 werd in de Grondwet vastgelegd dat bijzondere scholen recht kregen op gelijke financiering als openbare scholen. Dit is het moment dat het schoolsysteem echt werd wat het nu is. De kerk kon nu haar eigen scholen bouwen en onderhouden, betaald door de overheid. Dit zorgde voor een enorme bloei van katholiek en protestants onderwijs. Je had nu scholen met een duidelijke eigen identiteit, zoals de 'Christelijke School voor Geloof en Wetenschap' of de katholieke 'St. Jozefschool'.

  • Openbaar onderwijs: Neutraal, voor iedereen, betaald door de overheid.
  • Rooms-Katholiek onderwijs: Gericht op de katholieke geloofsleer en tradities.
  • Protestants-Christelijk onderwijs: Vaak wat strenger, met veel aandacht voor Bijbelverhalen en psalmen.

De erfenis: wat blijft er nog over?

Hoe zit dat nu? De tijd van de strenge dominee op school is voorbij, een contrast met de ingrijpende gevolgen van de beeldenstorm in onze vaderlandse geschiedenis.

De meeste scholen zijn seculier geworden, ook de confessionele. De identiteit zit 'm vaak nog in de naam van de school of in de viering van Sinterklaas en Kerst.

De kerk is niet meer de baas op school. Toch is de erfenis groot. Denk aan de 'christelijke normen en waarden' die nog steeds een rol spelen in de opvoeding op school. Respect, gemeenschapszin, het idee dat je iets moet bijdragen.

Een concreet voorbeeld van de erfenis is het 'schooltijdenboek'. De manier waarop de lesuren zijn ingedeeld, de focus op taal en rekenen, de structuur van de schooldag: het is allemaal gebaseerd op systemen die ooit door de kerk zijn ontwikkeld.

En kijk naar de rol van de kerkgebouwen zelf. Veel voormalige scholen zijn nu omgebouwd tot appartementen of kantoren, maar ze staan nog steeds als monument in het straatbeeld. Ze herinneren aan een tijd waarin de toren van de kerk het middelpunt was, en de school er als een trouwe dienaar naast lag.

Praktische tips: Hoe ontdek je dit zelf?

Wil je de sporen van de kerk in het onderwijs zelf zien? Dat kan heel makkelijk.

Je hoeft niet naar een archief. Loop eens een oud dorp in en kijk goed om je heen. Het is fascinerend om te zien hoe één idee – dat iedereen de Bijbel moet kunnen lezen – zo'n enorme impact heeft gehad.

  1. Bezoek een historische school: Zoek op internet naar een 'oude school' of 'schoolgebouw' uit de 19e eeuw in jouw regio. Veel van die gebouwen zijn nu musea of galerieën. De 'School met de Bijbel' is een term die je vaak tegenkomt.
  2. Kijk naar de namen: Veel scholen hebben nog steeds een naam die verwijst naar een heilige of een Bijbelse figuur (bv. Sint Janschool, Prins Willem Alexanderschool). Dit zijn directe overblijfselen.
  3. Lees een 'leesboekje' uit de 19e eeuw: Ga naar de bibliotheek of een kringloopwinkel en zoek naar een oude 'A-B-C boek'. Je zult zien dat de eerste letters vaak 'A is Adam' of 'B is Bijbel' waren. Het was onmogelijk om te leren lezen zonder religieuze inhoud.
  4. Luister naar ouderen: Vraag je opa of oma nog een keer naar hun schooltijd. Vraag specifiek naar de 'meester' en of er veel gezongen werd. De psalmen en gebeden zaten vaak diep verankerd in de dagelijkse routine.

Het zorgde voor een systeem dat tot op de dag van vandaag vorm geeft aan hoe we samen leren en leven.

De kerk was de motor, en we zijn nog steeds aan het rijden met de auto die ze hebben gebouwd.

Portret van Henk van der Linden, historicus over religieuze tradities in Nederland
Over Henk van der Linden

Henk schrijft al 20 jaar over Nederlandse en Europese cultuurgeschiedenis voor een breed publiek.

Volgende stap
Bekijk alle artikelen over Religieuze Kunst, Muziek en Musea
Ga naar overzicht →