De ontzuiling in de jaren '60: Het leeglopen van de kerken
Je kent het wel: vroeger ging iedereen op zondag naar de kerk. Buurman en buurvrouw, de bakker, de juf – iedereen hoorde bij een kerk.
De kerkbanken zaten vol, de klokken luiden en de straten waren leeg.
Tot diep in de jaren zestig was dat het beeld van Nederland. Maar toen veranderde er iets. De kerken liepen leeg.
Niet zo’n beetje ook. Dat proces noemen we ontzuiling. Het is een woord dat je vaak hoort, maar wat betekent het eigenlijk? En waarom gebeurde het juist in de jaren zestig? Dit verhaal gaat over die tijd, over de lege banken en over hoe Nederland veranderde.
Wat was ontzuiling eigenlijk?
Stel je voor: je bent geboren in 1950. Dan groei je op in een land dat in hokjes is verdeeld.
Je bent katholiek of protestant. Of misschien wel socialisten of liberaal.
Die verdeling heette ‘verzuiling’. Elke groep had zijn eigen kranten, scholen, ziekenhuizen en dus kerken. Het was een soort muur om je heen. Je trouwde binnen je zuil, werkte binnen je zuil en bracht je tijd door binnen je zuil.
Ontzuiling is simpelweg het afbreken van die muren. Het is het moment waarop die strikte indeling verdwijnt.
Mensen gaan minder snel naar de kerk, ze stemmen anders en ze mengen zich meer met andere groepen. In de jaren zestig en zeventig gebeurde dit in een stroomversnelling. De kerken werden leger, maar ook de politieke partijen verloren leden.
Het was een tijd van grote verandering. Waarom is dat belangrijk om te weten?
Omdat het ons Nederlanders heeft gemaakt wie we zijn. Vandaag de dag zijn we nog steeds een beetje een land van verzuiling, maar veel minder strikt.
We zijn individualistischer geworden. De ontzuiling van de jaren zestig legde de basis voor de samenleving van nu. Zonder dat proces zouden we nog steeds in gesloten groepen leven, zonder veel contact met elkaar.
Waarom liepen de kerken leeg?
Het begon allemaal na de Tweede Wereldoorlog. Het land was kapot, maar er was hoop.
De wederopbouw was in volle gang. Mensen kregen een betere baan, een eigen huis en een auto. De welvaart steeg.
En als je het goed hebt, ga je anders naar de wereld kijken. De angst voor oorlog en armoede werd minder. De kerk had altijd gezegd: 'blijf bij elkaar, de wereld is gevaarlijk'.
Maar nu voelde de wereld veiliger. Daarnaast kwam er meer vrijheid. De pillen van de anticonceptiepil, die in 1962 op de markt kwam, gaven vrouwen meer controle over hun leven. Ze hoefden niet meer per se een groot gezin te krijgen.
De seksuele revolutie brak los. De kerk had strenge regels over seks voor het huwelijk, maar jongeren gingen hun eigen gang. Dat botste enorm.
Je ouders zeiden: 'ga naar de kerk', maar jij ging liever naar een festival of een protest. Ook de opkomst van de televisie speelde een rol.
In de jaren zestig had bijna iedereen een tv. Je zag andere werelden. Je zag dat het ook anders kon.
Je zag de oorlog in Vietnam, de rellen in Parijs en de vrije liefde in Amerika.
De kerk verloor haar monopolie op de waarheid. Je hoefde niet meer naar de dominee om te weten wat goed of fout was. Je kon je eigen mening vormen.
Hoe werkte dat in de praktijk?
Stel je een zondagmorgen voor in 1960. De kerk zat vol.
De vrouwen zaten links, de mannen rechts. De dominee preekte over zonde en verlossing. Iedereen zong uit volle borst de psalmen.
De sfeer was streng maar vertrouwd. Nu springen we door naar 1970.
De kerk is voor de helft leeg. De stoelen staan scheef.
De dominee is jonger en draagt een spijkerbroek. Hij praat over maatschappelijke problemen, niet alleen over de bijbel. De leegloop was niet overal even sterk. In de Bijbelbelt, de strook van Zeeland tot Overijssel, bleven mensen langer trouw.
Daar was de kerk nog steeds het middelpunt van het dorp. Maar in de grote steden als Amsterdam en Rotterdam werd het snel rustig.
Jonge gezinnen gingen op zondag naar de markt of maakten een wandeling in het park. De zondag werd een vrije dag in plaats van een rustdag. De gevolgen waren groot.
Kerken moesten sluiten of samengaan. Een kerkgebouw is duur.
Verwarming, onderhoud, de dominee – het kost allemaal geld. Als de inkomsten uit collectes en lidmaatschapsgelden dalen, houdt het op. In de jaren zeventig en tachtig verdwenen er honderden kerken uit het straatbeeld.
Sommige werden gesloopt, andere kregen een nieuwe bestemming als woonhuis of concertzaal.
Dat zie je nog steeds. In Amsterdam-Noord staat een kerk die nu een hotel is. In Utrecht een die dienstdoet als sportschool.
Varianten van ontzuiling: Van streng naar los
Ontzuiling ging niet overal hetzelfde. Er waren verschillende 'modellen'.
Ten eerste was er de harde kern. Dit zijn de gereformeerde en katholieke gemeenschappen die vasthielden aan de traditie.
In plaatsen als Staphorst of Urk bleef de kerk het centrum. Zelfs vandaag de dag ga je daar op zondag niet fietsen, want dat mag niet. De ontzuiling raakte hen minder. Ze hielden hun eigen scholen en verenigingen.
Ten tweede was er de groep die 'meebewoog'. Dit waren de gematigde protestanten en katholieken.
Ze gingen nog wel naar de kerk, maar minder vaak. Misschien één keer per maand in plaats van elke zondag. Ze hielden van de tradities, zoals we die ook kennen uit de geschiedenis van de doopsgezinden, maar niet meer zo streng.
Bijvoorbeeld: ze vierden nog wel kerst en pasen, maar gingen ook op zondag winkelen. Dit was de grootste groep in de jaren zestig.
Zij zorgden voor de leegloop. Ten derde was er de groep die helemaal losliet.
Dit waren de 'nieuwe vrijdenkers'. Ze verlieten de kerk en zochten naar andere zingeving. Sommigen gingen naar de humanistische vereniging, anderen deden aan yoga of meditatie.
In de jaren zeventig ontstonden er alternatieve gemeenschappen, zoals de 'hippiebeweging' in de kraakpanden van Amsterdam. Dit was een radicale vorm van ontzuiling, die in schril contrast stond met de historische Afscheiding van 1834.
Het ging niet alleen om de kerk, maar om het hele systeem.
Er was ook een economische kant. De kerk kostte geld.
Een lidmaatschap was vroeger een soort verplichting. Je betaalde collectes en contributie. In de jaren zestig gingen mensen dat bekritiseren. Waarom zou ik betalen voor een instituut waar ik niet meer in geloof?
Sommige kerken probeerden te redden door de prijzen te verlagen of acties te houden, maar het mocht niet baten.
De leegloop was een vicieuze cirkel: minder leden = minder geld = minder activiteiten = nog minder leden.
Praktische tips: Hoe kijk je nu naar die tijd?
Wil je zelf meer weten over de ontzuiling? Bezoek dan eens een museum over de jaren zestig.
Het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen heeft een vaste collectie over het leven vroeger. Je ziet hoe de verzuiling in Nederland het dagelijks leven bepaalde en hoe snel dat veranderde. Kaartjes kosten ongeveer €18 voor volwassenen.
Of ga naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Daar staan echte kerken uit die tijd.
Je kunt ze van binnen bekijken en voelen hoe de sfeer was.
praat erover met ouderen. Vraag je opa of oma: 'Hoe was het vroeger in de kerk?' Ze kunnen je vertellen over de psalmen, de lange preek en de strenge dominee. Het is een mondelinge geschiedenis die je nergens vindt. Zo begrijp je het pas echt.
Het is niet alleen feiten, maar emotie. Als je zelf geïnteresseerd bent in religie, kijk dan naar de verschillen nu.
Ga eens naar een dienst in een moderne kerk, bijvoorbeeld in een jongerenkerk in de stad. Vergelijk dat met een traditionele dienst in de Bijbelbelt. Je ziet hoe divers het geloof is geworden.
Dat is het erfgoed van de ontzuiling: keuzevrijheid. Je mag zelf bepalen wat je gelooft en hoe je het viert.
Sluit af met een simpele gedachte: de ontzuiling was niet alleen verlies. Het was ook winst. Mensen kregen meer vrijheid, meer contact met anderen en meer ruimte voor eigen keuzes.
De kerken mogen dan leeglopen, maar de samenleving werd opener. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.
Dus de volgende keer dat je een lege kerk ziet, denk dan niet alleen aan wat verloren is gegaan, maar ook aan wat is gewonnen.
