De kerk als opdrachtgever voor architecten in de 20e eeuw
Stel je voor: een kerkgebouw uit de jaren zestig. Geen traditionele toren of gebrandschilderd raam, maar een betonnen blok met schuine ramen en een organisch vloerplan.
Dit is geen uitzondering, maar een typerend voorbeeld van hoe kerken in de twintigste eeuw hun opdrachtgeversrol veranderden.
De kerk was niet langer alleen een opdrachtgever voor schilders van Bijbelse taferelen, maar een pionier in modern architectuur. Deze gids neemt je mee in de wereld van kerkgebouwen als opdrachtgever in de twintigste eeuw. Je leest waarom dit zo belangrijk is, hoe het werkte en wat je nu nog kunt zien van deze bijzondere samenwerking.
Wat betekent 'kerk als opdrachtgever'?
Een kerk als opdrachtgever betekent dat een kerkgenootschap een architect inhoudt om een nieuw gebouw te ontwerpen of een bestaand gebouw te verbouwen.
In de twintigste eeuw gebeurde dit op een schaal die we nu nog steeds zien. Denk aan de rooms-katholieke kerk, de protestantse gemeente of de doopsgezinde kerk.
Zij hadden geld en een visie op wat een kerk moest zijn. Deze opdrachtgeversrol was nieuw. Vroeger, in de middeleeuwen, waren kerken vaak gebouwd door gildes en lokale ambachtslieden. In de twintigste eeuw kwam er een professionele architect in beeld. De kerk wilde een eigentijds gebouw dat paste bij de moderne tijd, maar wel ruimte bood voor erediensten.
De kerk was niet langer een passieve bouwheer, maar een actieve vormgever van de samenleving.
Waarom was dit zo belangrijk?
In de twintigste eeuw veranderde Nederland ingrijpend. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er een woningnood en werden er snel nieuwe wijken gebouwd.
In deze wijken hoorde een kerk. De kerk moest laten zien dat ze nog relevant was, niet alleen in geloof, maar ook in de openbare ruimte. Daarnaast was er de liturgische vernieuwing. De kerkdienst werd anders.
In de rooms-katholieke kerk zorgde het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) voor een nieuwe focus op gemeenschap. De kerk moest een ruimte zijn waar mensen dichter bij elkaar kwamen, niet alleen een plek om naar een preek te luisteren.
Architecten moesten dit vertalen in steen en glas. En er was nog iets: de kerk wilde niet meer alleen een traditioneel uiterlijk.
Ze wilde modern zijn, herkenbaar in een tijd van auto's, televisie en nieuwe woonwijken. Zo ontstonden kerken die er heel anders uitzagen dan hun middeleeuwse voorouders.
De kern: hoe werkte deze samenwerking?
De samenwerking tussen kerk en architect begon met een programma van eisen. De kerk gaf aan wat er moest komen: een hoofdruimte voor 400 mensen, een vergaderruimte voor 30 personen, een pastorie en soms een klooster.
De architect moest dit vertalen in een ontwerp. In de praktijk zag je drie belangrijke stijlen terug:
- Traditionalisme: Kerken die nog wel een toren hadden, maar met moderne materialen. Denk aan baksteen in plaats van natuursteen.
- Modernisme: Kerken zonder toren, met rechte lijnen en veel beton. Denk aan de Sint-Josephkerk in Eindhoven (1961).
- Organische architectuur: Kerken die zich voegen naar het landschap, met ronde vormen en natuurlijke materialen. Denk aan de Kapel van het Heilig Hart in Utrecht (1956).
De architect kreeg vaak een vaste vergoeding, gebaseerd op de bouwkosten. Voor een gemiddelde kerk uit de jaren zestig lag het bouwbedrag tussen de €1,5 en €3 miljoen (omgerekend naar huidige prijzen). De architect ontving daarvan ongeveer 8 à 10 procent als honorarium.
Dat was een flink bedrag, zeker voor die tijd. Een voorbeeld van een succesvolle samenwerking is de Sint-Bavokerk in Haarlem. Hoewel deze kerk al eeuwenoud is, werd in de twintigste eeuw een nieuwe vleugel toegevoegd door architect J.J.P. Oud. Hij kreeg de opdracht omdat de kerk een moderne uitbreiding nodig had, passend bij de naoorlogse stijl.
Varianten en modellen: wat zie je nu?
De twintigste-eeuwse kerkgebouwen zijn nu vaak cultureel erfgoed. Sommige zijn nog in gebruik, andere zijn verbouwd tot appartementen of kantoren.
1. De zaalkerk
Hieronder een overzicht van de meest voorkomende types en hun kenmerken. Dit is een eenvoudige kerkruimte zonder toren, vaak gebouwd in de jaren vijftig en zestig. De focus ligt op de gemeenschap: iedereen zit dicht bij elkaar. Een voorbeeld is de Gereformeerde Kerk in Amstelveen (1958), gebouwd voor €1,2 miljoen.
2. De centrumkerk
De architect was G. van der Laan, die later ook de Abdij van Berkel ontwierp. Waar de architectuur van Pierre Cuypers de neogotiek domineerde, zien we hier dat de gemeenschap rondom het altaar zit, niet erachter.
3. De kloosterkerk
Dit paste bij de liturgische vernieuwing. De Sint-Josephkerk in Tilburg (1963) is een typisch voorbeeld. De architect, H.W.
Valk, ontwierp een ronde kerkzaal met een glazen koepel. De bouwkosten bedroegen toen ongeveer €2,5 miljoen. Voor kloosters werden in de twintigste eeuw vaak moderne kerken gebouwd.
De Abdij van Berkel (1965) in Noord-Brabant is een goed voorbeeld. Architect Van der Laan creëerde een ingetogen, stenen gebouw dat perfect past bij het contemplatieve leven van de monniken, die historisch gezien een grote rol speelden bij de ontwikkeling van het onderwijs.
De bouwkosten lagen rond de €3 miljoen. Deze kerken zijn nu vaak te bezichtigen. Sommige, zoals de Sint-Josephkerk in Tilburg, worden nog steeds gebruikt voor diensten. Andere, zoals de Gereformeerde Kerk in Amstelveen, zijn verbouwd tot appartementen.
Praktische tips: hoe ontdek je deze kerken?
Wil je zelf op zoek naar deze twintigste-eeuwse kerken? Hier zijn een paar tips: En vergeet niet: deze kerken zijn niet alleen gebouwd voor gelovigen.
- Bezoek een kerkdienst. Veel kerken zijn nog in gebruik. Je ervaart de ruimte pas echt als je erin zit tijdens een dienst.
- Zoek naar open dagen. Kerken zoals de Sint-Josephkerk in Tilburg organiseren regelmatig open dagen waar je het gebouw kunt bekijken.
- Lees over de geschiedenis. Boeken zoals 'Kerken in Nederland na 1940' geven een goed overzicht van de architectuur en de opdrachtgevers.
- Bezoek een museum. Het Museum voor Religieuze Kunst in Uden heeft een collectie van twintigste-eeuwse kerkobjecten en foto's van kerken.
Ze zijn een deel van ons culturele erfgoed. Of je nu gelovig bent of niet, een bezoek aan zo'n kerk laat je zien hoe Nederland er in de twintigste eeuw uitzag en hoe de kerk een rol speelde in de samenleving.
De kerk was in de twintigste eeuw een drijvende kracht achter vernieuwende architectuur. Van zaalkerken tot kloosterkerken, deze bijzondere wederopbouwkerken laten zien hoe een opdrachtgever kan inspireren tot iets heel nieuws. En dat maakt een bezoek aan deze kerken meer dan de moeite waard.
